Op een zeldzame droge en zonnige winterdag was ik op de boerderij bezig toen ik een brandgeur rook. Niet veel later zag ik de oorzaak: mijn buurman stond in de weide pal achter mijn huis takken te verbranden. De wind? Die had er duidelijk geen zin in en blies vrolijk alle kanten op, inclusief richting mijn gevel.
Heggen
In de herfst had hij zijn haag “gesnoeid”. Dat wil zeggen: alles weg, behalve één dapper boompje dat het mocht overleven. De takken lagen nog steeds in grote hopen, en daar wilde hij nu vanaf. Zoals dat dan gaat, greep hij naar de traditionele methode: benzine erover, lucifer erbij, klaar.
Ik vroeg hem waarom hij de boel verbrandde. “Wat moet ik er anders mee?” Takkenril maken, buurman. Maar zijn schouders haalden het al op voordat ik mijn zin had afgemaakt. Missionaris ben ik niet, dus ik probeerde het praktisch te houden: misschien iets verder van mijn huis af, gezien de wind? Nog een schouderophaling.
Dan maar het zwaardere geschut: “Buurman, verbrandingen zijn verboden.” Dat kwam binnen. Hij probeerde nog iets te mompelen over het buitengebied, maar mijn blik deed de rest.
Een Belgische compromis
Om de lieve vrede te bewaren stelde ik voor om de takken dan maar op te halen. Ik had toch een lange takkenril nodig aan de westkant van mijn terrein. Hij ging akkoord en de dag erop ging ik alvast aan de slag.
Oeps
De eerste twee ladingen laadde ik met de tractor. Dat bleek al snel een slecht idee: de takkenhopen waren gemaakt om in brand te steken, niet om netjes op te scheppen. Alles lag kriskras door elkaar.
Dus schakelde ik over op handwerk. En laat ik zeggen: sleedoorns en bramen hebben doornen die je pas écht leert kennen als je ze stuk voor stuk moet verplaatsen. Zo werd het klusje een klus.
Eind goed, al goed. Toch?